
Vertederende herkenbaarheid; dat is waar de Broertjes Brouwers het op gooien met hun gelijknamige voorstelling die zich richt op iedereen die een broer heeft, is of kent. De meest voor de hand liggende pesterijtjes en willekeurige herinneringen dienen vervolgens als middel. Leuk voor op paps en mams 25-jarig huwelijksfeest, maar als Parade-act teleurstellend.
Tekst: Chris Geense | Beeld: Merijn van der Vliet

“Hier wil ik niet naar toe”, grapt een voorbijganger op de Parade. “Die gasten lijken teveel op elkaar.” De uiterlijke overeenkomsten en goede zangstemmen daargelaten valt dat ‘teveel’ wel mee. Na de openingsact, een melige showrevue met een lekker dik aangezette vrolijkheid, stellen de broers zich individueel voor. De oudste droomt af en toe weg. De middelste wordt gepest omdat ‘ie een poot is (lang niet meer gehoord trouwens, dat woord) en de jongste krijgt van sommigen het predicaat ‘autistisch’.

Losse mededelingen, zo blijkt, want vanaf hier spelen de broers onbezorgd en als éénheid verder, zonder nog aan de introductie te refereren. Ze springen heen en terug in de tijd, halen herinneringen op aan de schuur waar ze eind jaren ’80 met hun toneelstukjes begonnen, zingen, dansen en delen een enkele duw uit. Vrijwel alles synchroon en zonder uitzondering inwisselbaar. In hun onderlinge verschillen, zowel uiterlijk als innerlijk, hebben de gebroeders Brouwers duidelijk geen mogelijkheden tot een voorstelling gezien, die het niveau van hun schuurtjesact wél zou kunnen ontstijgen.

Er is nog nooit een bom op dat gelukkige gezinsleven gevallen, althans niet één die vanavond gedeeld gaat worden. Wat de Broertjes Brouwers dan willen meegeven, blijft onduidelijk. Dit is hoogstens vermakelijk voor bekenden en familie, maar als voorstelling mist het óf de intimiteit waarvan je als toeschouwer deelgenoot wordt gemaakt, óf de afstand die de rafels blootlegt en daarmee in dat geval waarschijnlijk meer een appèl doet op de al eerder genoemde herkenbaarheid dan van dit ironieloos geluk gezegd kan worden.

Tekst: Chris Geense | Beeld: Merijn van der Vliet

“Hier wil ik niet naar toe”, grapt een voorbijganger op de Parade. “Die gasten lijken teveel op elkaar.” De uiterlijke overeenkomsten en goede zangstemmen daargelaten valt dat ‘teveel’ wel mee. Na de openingsact, een melige showrevue met een lekker dik aangezette vrolijkheid, stellen de broers zich individueel voor. De oudste droomt af en toe weg. De middelste wordt gepest omdat ‘ie een poot is (lang niet meer gehoord trouwens, dat woord) en de jongste krijgt van sommigen het predicaat ‘autistisch’.

Losse mededelingen, zo blijkt, want vanaf hier spelen de broers onbezorgd en als éénheid verder, zonder nog aan de introductie te refereren. Ze springen heen en terug in de tijd, halen herinneringen op aan de schuur waar ze eind jaren ’80 met hun toneelstukjes begonnen, zingen, dansen en delen een enkele duw uit. Vrijwel alles synchroon en zonder uitzondering inwisselbaar. In hun onderlinge verschillen, zowel uiterlijk als innerlijk, hebben de gebroeders Brouwers duidelijk geen mogelijkheden tot een voorstelling gezien, die het niveau van hun schuurtjesact wél zou kunnen ontstijgen.

Er is nog nooit een bom op dat gelukkige gezinsleven gevallen, althans niet één die vanavond gedeeld gaat worden. Wat de Broertjes Brouwers dan willen meegeven, blijft onduidelijk. Dit is hoogstens vermakelijk voor bekenden en familie, maar als voorstelling mist het óf de intimiteit waarvan je als toeschouwer deelgenoot wordt gemaakt, óf de afstand die de rafels blootlegt en daarmee in dat geval waarschijnlijk meer een appèl doet op de al eerder genoemde herkenbaarheid dan van dit ironieloos geluk gezegd kan worden.

De Parade 200608-08-2006



