
Er staat een hoop te gebeuren aankomende zondag: dan staat Utrecht, in het kader van de Culturele Zondag De Kleine Parade, geheel in het teken van het gelijknamige boek van Rob van Scheers. SAPsite sprak hem van te voren over de zelfhaat van de Utrechter, helden en vuurwerk.
tekst: Maartje Rutten
Rare jongens, die Utrechters. Rob van Scheers weet er alles van: in zijn boek, ‘de kleine parade’, neemt hij de lezer mee langs de spelonken van de Utrechtse geschiedenis. De centrale vraag waar het boek om draait: wie is de Utrechter, en waarom? “Utrechters kennen een soort zelfhaat. De Utrechter mag kankeren, mopperen, het deugt allemaal niet, alles is niets; maar als een Amsterdammer het zegt, dan verenigen we ons en staan we pal. Natuurlijk zijn er wel geschiedenisboeken over Utrecht van eminente schrijvers, maar mijn boek neemt juist de zijstraten van de geschiedenis. Het is geen canon, ik doe de cultversie, zeg maar. Het is een mooi idee: dit is mijn stad, maar ik ben er vaak niet. Voor mijn werk reis ik de hele wereld over. Het is leuk om een soort kadootje te maken voor mijn geboortestad. Vooral in deze tijd waarin de culturele identiteit een grote kwestie is. Mensen zoeken een plek waar ze zich geworteld voelen. Utrecht is wat dat betreft een heel interessante stad: het is een stad met de meeste hoogopgeleiden door de universiteit, maar ook met een erg volkse traditie, waaruit een hekel aan gezag voortkomt, men dopt zijn eigen boontjes wel. Mensen zoeken een plek die ze kunnen benoemen als hun thuis. Maar voordat je dat kan, moet je er iets van weten. En daar raakt ‘de kleine parade’ aan.”
Toch hebben Utrechters een bijzondere verhouding met hun stadsie. Alles is niets, zegt de Utrechter onverschillig, maar stiekem krijgt elke Utrechter tranen in zijn ogen bij het terugzien van de Dom na een week vakantie. Van Scheers ervaart die verstandhouding zelf net zo goed. “En al mijn vrienden ook. Allemaal hoogopgeleiden, die leiden aan het second city syndrome: Amsterdam heeft al onze topvoetballers weggekocht, en iedereen die iets voorstelt gaat weg. Toegegeven, ik werk ook in Amsterdam. Maar ik ben wel in Utrecht blijven wonen; dit is mijn natuurlijke habitat. Wij lachen een beetje om de vermeende grootstedelijke allure van Amsterdam, waar toch driekwart van de bevolking niet uit Amsterdam komt. De Amsterdammer zelf woont in Almere. Dat is toch een raar fenomeen? Dus onderling spreken wij graag over de enclave Utrecht; een mooie geuzennaam.”
In ‘de kleine parade’ komen verschillende Utrechtse helden op een presenteerblaadje voorbij. Anton Geesink (“Geesink is natuurlijk een held. Hilarisch, omdat hij vanuit het Utrechtse Wijk C een eeuwenoude Japanse traditie omvergeworpen heeft. Dat is alsof een Japanner de klompendans wint in Volendam.”), Rijk de Gooijer (“Een briljant acteur, echt onderschat. Hij is geen blije geit, zegt hij altijd over zichzelf. Oftewel: iemand die niet met alle winden meewaait, in het Utrechts.”), Willem van Hanegem (“Die man ademt Utrechts.”), het boek staat vol met Utrechters die geschiedenis schreven. Welke Utrechters gaan er nog geschiedenis schrijven, oftewel, wie zijn voor Rob van Scheers Nieuwe Utrechtse Helden? “C-mon en Kypski zijn wel helden van mij, die doen het heel erg goed. Ingmar Heytze vind ik ook een held, en het meisje dat mijn visitekaartje ontworpen heeft. En ik verwacht ook veel van Alexis de Roode.”
De Kleine Parade wordt geopend door Aleid Wolfsen. Van Scheers geeft de burgemeester een snelcursus ‘Utrechts voor beginners’ en neemt hem daarna mee op sleeptouw. “Ik ben eigenlijk van plan om hem over te halen mij zijn ambtsketting te lenen, alleen voor die dag, zodat ik een soort zondagmiddagburgemeester ben. Dat lijkt me wel wat.” En hoe gaat de dag verlopen, wat zijn aanraders? “Alle programmaonderdelen zijn allemaal door mij aangedragen, dus alles is leuk, dat snap je wel. Maar als ik er dan toch een moet noemen, dan ga ik voor het stuk ‘Belle van Zuylen’, dat wordt opgevoerd in Slot Zuylen. Dat stuk is geschreven door Alana Gillespie, een jonge en zeer getalenteerde schrijfster en trouwens ook één van mijn nieuwe helden. Maar zoals ik al zei: het hele programma is leuk èn uniek. Het enige wat ik nog mis is vuurwerk, daarvoor was geen geld. Tijdens de Milleniumwende zou er een spectaculair vuurwerk zijn rond de Dom, maar het was destijds zo mistig dat het met een sisser afliep. Technisch gesproken leven we in Utrecht dus nog in de twintigste eeuw. Het was mijn ambitie om op de Culturele Zondag het Millenium alsnog in te luiden, maar dat gaat dus niet. Ach ja, typisch Utrechts, zullen we maar zeggen.”



